De ontwikkellagen en groeidynamiek in het kort

 

*er wordt momenteel gewerkt aan een update van deze toelichting 

 

Op laag één en vijf is er sprake van een geïntegreerd georganiseerd individu, 'maar' het individu ervaart weinig innerlijk conflict. Wel kunnen er externe conflicten, met de omgeving bestaan, maar als reactie en reflectie daarop heeft en ervaart het individu geen (intensieve of desintegratieve) innerlijke conflicten.

De lagen twee, drie en vier beschrijven verschillende niveaus van desintegratie. Er is sprake van mentale (en soms fysieke) onrust, ongemak. Dabrowski omschrijft dit letterlijk als dis-ease. Uitingen die zelfdestructief, neurotisch of bijvoorbeeld angstig van aard zijn, worden door Dabrowski echter gezien als een mogelijk teken van ontwikkelingspotentieel. Ze zijn namelijk expressief voor het bestaan van interne conflicten, ze laten de mogelijkheid tot verandering zien. Sterker nog, ze zijn een reflectie van "veranderingen".

Dabrowski was er heel duidelijk over dat deze niveaus naast elkaar kunnen bestaan, in dat geval wel altijd in conflict met elkaar; zoals gedachten, maar ook verschillende manifestaties van emoties met elkaar kunnen conflicteren. Dit conflict wordt 'opgelost' wanneer één van de structuren wordt geëlimineerd of een laag van functioneren onder volledige controle van een andere structuur valt. Deze groei(dynamiek) is een voortgaande beweging tussen verschillende gedachten, emoties, motivaties en innerlijke drijfveren, die al dan niet uitmondt in functioneren op volgens Dabrowski's kijk en waarden hoger niveau. 

 Op de eerste laag, primaire integratie genoemd, is een mens en zijn gedragingen en wijze van sociaal relateren en emotioneel reguleren voornamelijk een expressie van zijn aangeboren eigenschappen, afkomst en opvoeding. Daarbij is er vaak niet veel sprake van introspectie en innerlijk conflict, de afwezigheid van innerlijk conflict typeert laag 1 dynamiek tot op zekere hoogte. Hoewel er volgens het Dabrowskiaanse perspectief geen sprake van groei is, kun je hierbij wel spreken van een zekere harmonie of mentale integratie, gezien de nagenoeg afwezigheid van innerlijke conflicten. Op deze laag kunnen mensen een sociaal en respectabel leven leiden. Als de sociale omgeving, die het dominante perspectief en de geleefde waarden ondersteunt, gaandeweg verandert, dan zullen de personen die laag 1 dynamiek laten zien zich zonder veel moeite hieraan aanpassen.

Binnen laag twee, genaamd ‘eenlagige desintegratie, worden impulsen en socialisatie niet meer per se als richtinggevend ervaren. Dit zien we bijvoorbeeld in de puberteit en in 'midlife' crisissen of gedurende de menopauze, maar ook al op jonge leeftijd bij kinderen die sterk beredenerend, invoelend, intuïtief bevragend in het leven staan. Wat vooralsnog niet ontwikkeld is op deze laag is het (naar belang) kunnen onderscheiden van hogere en lagere motivaties, van ideeën en acties die ‘meer mijzelf’ en ‘minder mijzelf’ zijn. Velen wenden zich vanwege de ervaren onrust, eventuele afwijzingen vanuit hun sociale omgeving of onwetendheid en gemis aan begeleiding en inzichtbiedende spiegeling af van hun innerlijke conflicten. In hun groeidynamiek re-integreren zij naar de dynamiek van primaire integratie.

Sommige mensen maken een spontane transitie naar niveau drie groeidynamiek. Op niveau drie treedt er spontane meerlagige desintegratie op, wat eerder zeker was en waar was wordt "losgeschud", en de persoon gaat via bewustwording van innerlijke conflicten een gedreven, niet per se gemakkelijk of zelfs emotioneel zeer moeizaam zelfonderzoek aan.

Desintegratie klinkt als een vorm van destructie, maar Dabrowski stelde dat deze desintegratie positief kan zijn en het leven kan verrijken, de horizon van een persoon kan verbreden en een enorme creativiteit in mensen kan aanwakkeren. Destructiviteit en creativiteit die, zogezegd en kort door de bocht, hand-in-hand gaan. De psychische en sociale groeidynamiek is echter voor velen een verwarrende tijd waarin gezocht wordt hoe de persoon kan omgaan met innerlijke conflicten, met intense gevoelens, met de persoonlijke ervaring hoe het leven 'zou moeten of kunnen zijn' en hoe het nu ís, maar ook met de vollere acceptatie wat voor hen waar is.

Er ontwikkelt zich gaandeweg en mogelijk een persoonlijke hiërarchie van waarden, gefundeerd in emotionele ervaring. Een persoonlijkheid (samenkomst van gedrag, motivaties, waarden, intenties, relaties) ontwikkelt die zelfbewust doorleefde waarden leert waarmaken.  

Dit gebeurt aanvankelijk spontaan, maar biedt gaandeweg en toenemend georganiseerd een alternatief van 'zijn en worden', anders dan de eenlagige, innerlijke en vaak ontwrichtende conflicten die op laag twee werden ervaren.

Binnen de groeiprocessen van laag vier lukt het een individu om meer en meer de persoonlijke idealen in overeenstemming te brengen met haar of zijn levenswijze, zelfzorg en keuzes. Op dit niveau neemt een individu de eigen ontwikkeling op georganiseerde, zelfbewuste wijze in de hand. Innerlijke conflicten worden effectief behandeld via ‘autopsychotherapie’. Het zelf is dan zowel psychiater als cliënt, zowel subject als object, om zo via grondige communicatie, bewuste en duurzame levenswijzen tot telkens weer opnieuw (maar minder intens of als ontwrichtend ervaren) resolutie van conflicten te komen, zodoende tot zorgzame, prosociale en effectieve omgang met conflicten te groeien. Waar nodig, mogelijk en passend kiest de persoonlijkheid-in-ontwikkeling voor zelfeducatie, staat de persoon open voor nieuwe, leerzame ervaring en heeft de persoon geleerd bewust te signaleren welke zorgbehoeften hij of zij heeft, en welke omgeving passend, voedend, stimulerend en vrij is voor hem of haar. Zodoende worden de eigen ‘overprikkelbaarheden’ (overexcitabilities) prettig leefbaar geuit en geleefd. 

Binnen laag vijf dynamiek kunnen talenten worden ingezet voor sociale, politieke of creatieve doeleinden, die het specifieke zelfzoekende overstijgen. Belangrijke waarden  én groeikrachten (tegelijk) zijn empathie, autonomie, compassie en bewustzijn. De persoonlijkheid die gedrag en motivaties zoals op laag vijf beschreven laat zien, weet hoe duurzaam en flexibel om te gaan met conflicten, ondergaat en (h)erkent emoties en innerlijke fluctuaties, kiest gericht voor specifieke waarden en wijst concreet 'maar' liefdevol af wat niet resoneert met de doorvoelde waarden. Er is sprake van een zekere harmonie tussen lagere en hogere motivaties en hoeveel dit niet betekent dat de persoon helemaal geen conflicten heeft (soms wellicht meer extern dan voorheen), heeft de persoon met name de wijsheid om zowel het groeipotentieel van conflicten emotioneel alert te doorleven als dynamisch in balans waardenbewust gedrag en contact in de wereld te zetten.