Dynamismen

Dynamismen
Dynamismen zijn onafhankelijke innerlijke krachten die van biologische of mentale aard kunnen zijn. Ze sturen iemands gedrag en de ontwikkeling. Dabrowski beschreef dynamismen als combinaties van “instincten, drijfveren en intellectuele processen gecombineerd met emoties”.

Er zijn twee soorten dynamismen: oplossende en ontwikkelende. Oplossende dynamismen spelen een rol tijdens desintegratie, terwijl ontwikkelende dynamismen vooral aanwezig zijn tijdens persoonlijkheidsontwikkeling met een eigen hiërarchie van waarden.

Oplossende dynamismen
Oplossende dynamismen verzwakken, verstoren en verwoesten uiteindelijk primaire integratie.

• Ambivalentie en ambitendentie. Ambivalentie verwijst naar de veranderlijke gevoelens van mogen en niet mogen, in de zin van oordelend over wat er gebeurt. Ambitendenties uiten zich onder andere in conflicterende acties en besluiteloosheid. Door deze dynamismen zal de mentale structuur losser worden, maar niet ondersteund door andere dynamismen, resulteert deze verandering waarschijnlijk in primaire integratie.

• Ontevredenheid met het zelf. Deze dynamisme komt vooral aan het licht in samenspel tussen de persoon en zijn sociale omgeving.

• Verwondering over zichzelf. Hiermee wordt bedoeld dat de eigen verstandelijke vermogens voor iemand als onverwacht komen of tot verbazing over zichzelf leiden. Dit markeert het begin van de wording van het individu tot het object van zijn of haar bewustzijn: iemand gaat zichzelf bekijken 'van buitenaf'.

• Ongemakkelijkheid met het zelf. Dit is het begin van negatieve houdingen naar dit zelf; iemand gaat zijn eigen tekortkomingen zien, of die nu ervaren of echt zijn. Aan de verwondering over het zelf voegt de ongemakkelijkheid met het zelf een emotionele component toe: negatieve gevoelens samenhangend met een zelfkritische houding.

• Gevoelens van inferioriteit, minder zijn dan een ander. Dit verwijst naar de negatieve emoties die iemand ervaart als gevolg van de verschillen tussen waar iemand nu is en waar hij heen zou willen: ik ben op punt A, maar hoor op punt B! Dit dynamisme levert een grote bijdrage aan het creëren van een iemands eigen hiërarchie van waarden.

• Ontevredenheid zijn met het zelf; één van de sterkste dynamismen in deze categorie, is een negatieve houding naar het zelf die niet alleen afkeuring en ontevredenheid met het zelf brengt, maar ook gevoelens van boosheid en agressie naar het zelf en pogingen het zelf te ontsnappen. Dit dynamisme zorgt voor gevoelens van intense angst en depressie.

• Gevoelens van schaamte en schuld geven een beeld van de externe en interne meningen over het zelf. Zowel schaamte als schuld komen voort uit ontevredenheid met het zelf. Schaamte, een gevoel van beschaamd en ellendig zelfbewustzijn, is verbonden met het beeld dat anderen hebben van het zelf, of dat nu bedacht is of echt zo bestaat. Blozen en een verhoogde hartslag kunnen signalen zijn die wijzen op schaamte. Met schuldgevoel zijn gevoelens geïnternaliseerd. Beschaamdheid wordt niet alleen ervaren in relatie tot anderen, maar ook naar het zelf en de eigen idealen. Er is een gevoel zelf verantwoordelijkheid te zijn voor de eigen tekortkomen en imperfecties.

• Creatief instinct, ook beïnvloed door de ontevredenheid met het zelf, verwijst naar de zoektocht van het individu naar nieuwe ervaringen die kwalitatief verschillen van de huidige.

• Positieve onaangepastheid. Dit laatste dynamisme in de oplossende categorie vraag om speciale aandacht. Positieve onaangepastheid houdt in: het verwerpen van de opgelegde en aangeleerde waarden binnen iemands sociale omgeving of in de maatschappij als geheel. Dit komt overeen met de overtuiging van filosoof Kierkegaard's dat individuen het verankeren van hun gedragingen op basis van algemeen gebruikelijk is moeten verwerpen. De afwijzing van normen en waarden is bewust en selectief, en deze weerspiegelt iemands hiërarchie van waarden. Deze hiërarchie is door iemand gecreëerd op basis van hoe dingen voor zijn gevoel zouden moeten zijn en niet op hoe ze nu zijn.
In Dabrowski's visie zijn er zowel positieve als negatieve vormen van aanpassing en onaangepastheid:
o Negatieve aanpassing is zichtbaar in automatisch en onderwerpend gedrag dat zich voegt naar de normen van de samenleving.
o Negatieve onaangepastheid is zichtbaar in crimineel en pathologisch gedrag.
o Positieve onaangepastheid duwt het individu voorbij het zich automatisch aanpassen aan de geldende normen.
o Positieve aanpassing wordt geassocieerd met verregaande ontwikkeling, terug te zien in het gedrag van een individu, gebaseerd op een bewust geconstrueerde hiërarchie van waarden.

Vanuit de oplossende dynamismen ervaren individuen interne en externe conflicten. Deze worden gekenmerkt door aanhoudende, intense negatieve emoties, vaak omschreven door Dabrowski met behulp van Kierkegaard's frasering van 'angst en beven'. Een andere klassieke zin die in gedachten komt is G. Stanley Hall's 'storm en stress', welke hij gebruikte om de adolescentie te karakteriseren.

Ontwikkelende dynamismen
Ontwikkelende dynamismen, welke een nieuwe mentale organisatie creëren:
• Zelfbewustzijn en zelfcontrole bevatten iemands bewust zijn van het eigen mentale en gedragsmatige doen en laten, persoonlijke identiteit en uniek zijn, en stabiliteit in persoonlijke eigenschappen. Het weten waarom je wat wanneer doet. Zelfbewustzijn en zelfcontrole betekenen ook het bewust zijn van dat sommige persoonlijkheidskenmerken niet alleen stabieler zijn dan andere, sommige zijn ook belangrijker. Het bewustzijn (hiervan) maakt het mogelijk voor het individu om zelfcontrole in te zetten.

• Object en subject (inhoud en onderwerp) in het zelf . Dit beschrijft het proces van zelfobservatie en introspectie met als doel het verder brengen van de eigen mentale ontwikkeling (object in het zelf). Door actieve, constante zelfontdekking begrijpt iemand de essentiële delen van het eigen innerlijke leven. Uiteindelijk ervaart een individu door dit dynamisme zijn of haar essentie, dat wat hij of zij werkelijk is. De component zelfevaluatie verwijst naar subject in het zelf: Een andere zelf in zichzelf die klaar staat voor steun, evaluatie en bijsturing.

• Syntonie, identificatie en empathie. Dit zijn manieren om zich te verhouden tot anderen.
o Syntonie refereert aan het spontaan voelen wat anderen voelen, een sympathieke reactie, en een sociale interesse.
o Identificatie is een meer verstandelijke en enigszins meer bewuste vorm van het begrijpen van anderen.
o Empathie betekent het winnen van inzicht in andermans ervaringen en hun emoties, gecombineerd met een vertrouwende houding naar anderen toe. Het daadwerkelijk (in)voelen van de emoties van de ander.

• De derde factor. Deze wordt ook omschreven bij de verschillende factoren elders op deze site. Dit is tevens een dynamisme. Het is het middel van bewuste keuze van ontwikkeling, gezien als het innerlijke zelf dat sturing geeft aan iemands mentale leven. Dit dynamisme maakt onderscheid tussen functies en gebeurtenissen aan de hand van hun waarde voor het ondersteunen van verdere ontwikkeling; als ze niet groeibevorderend werken, worden zij verworpen.

• Innerlijke mentale transformatie. Dit zet instincten en motivaties om in ideeën die geleidelijk aan onderdeel worden van iemands persoonlijkheid. Impulsen worden niet alleen bewust verworpen, maar ook omgevormd.

• Zelfeducatie en autopsychotherapie. Deze verwijzen naar de actualisatie van persoonlijke idealen door zelfverbetering aan te gaan waar nodig, geleid door een individuele hiërarchie van waarden. Autopsychotherapie is ook het proces van het opleiden en gidsen van het zelf wanneer stress wordt ervaren – de vaardigheid met emotionele nood om te gaan onafhankelijk of deze veroorzaakt wordt door externe of interne factoren. Voor Dabrowski worden individuen die op de hogere niveaus komen letterlijk hun eigen leraren en psychotherapeuten.

Dynamismen die in verband worden gebracht met de hoogste niveaus van ontwikkeling omvatten verantwoordelijkheid nemen voor het zelf en voor anderen, autonomie, authenticiteit, sturing vanuit de kern van het zelf, en persoonlijke idealen.

• Verantwoordelijkheid nemen voor het zelf en voor anderen: het verantwoordelijkheid nemen voor de eigen acties, denken en verlangens, gezien in de context van het eigen leven in relatie tot dat van anderen, maar ook het zorgen voor zichzelf. Anderen zijn geen objecten maar onderwerpen; individuen ontwikkelen een ik<>jij relatie met andere mensen. Het gevoel van verantwoordelijkheid – de noodzaak om eigenaar te zijn van de eigen tekortkomingen en deze te verbeteren – strek zich uit tot het willen steunen van anderen die zich willen verbeteren.

• Autonomie. Dit is het dynamisme waarmee individuen zich bewust bevrijden van 'lagere' drijfveren en van de aspecten in de sociale omgeving die in tegenstelling bestaan met positieve waarden.

• Authenticiteit, geworteld in zelfbewustzijn, is de expressie van de eigen emoties, cognities en attitude. Het refereert aan het consistent zijn met de eigen hiërarchie van waarden.

• Sturing vanuit de kern van het zelf. Dit bepaalt het directe gedrag van een individu, en ook zijn midden- en lange termijn planning; ingegeven vanuit iemands eigen kern. Op het hoogste niveau ontplooit deze sturing vanuit de kern zich als een specifiek dynamisme dat werkt naar de harmonisatie van de eenheid van de persoonlijkheid. De sturing vanuit de kern wordt geïntegreerd in het persoonlijk ideaal.

• Het persoonlijk ideaal. Dit is de standaard waartegen een individu zijn of haar 'ware ik' evalueert. Uiteindelijk wordt dit het hoogste dynamisme dat iemands persoonlijkheid vormt.

Veel van de terminologie die Dabrowski gebruikt voor het beschrijven van dynamismen komen we tegen in de werkvelden van de psychologie en psychiatrie. Er is echter een duidelijk verschil tussen de interpretatie die er aan gegeven wordt. Bijvoorbeeld autonomie, authenticiteit, empathie en zelfbewustzijn komt men ook tegen in andere persoonlijkheidstheorieën, specifiek in degenen die geworteld zijn in de humanistiek. Hoe dan ook, Dabrowski gebruikte deze niet simpelweg als beschrijvingen van persoonlijkheidskenmerken: hij zag ze als krachten die persoonlijke ontwikkelen kunnen toelaten en sturen.