Blogs

Ruimte innemen om deze te geven – creatie van gedeelde ruimte

In het Engels bestaat de mooie uitdrukking “to hold space for someone”. Bij “hold” denk je wellicht al gauw aan vasthouden of aan grijpen. Nu kan het werkwoord hold contextafhankelijk veel verschillende betekenissen hebben. In de uitdrukking “to hold space for someone” zit er een dubbelzinnigheid, in die zin dat je zowel ruimte ‘vasthoudt’ als dat deze actie mogelijk wordt door zelf, bewust, vanuit opmerkzaamheid en aandachtige aanwezigheid, ruimte niet ‘te vullen’. Je houdt in zekere zin een lege ruimte vast, zodat de ander de kans voelt, ervaart, ziet..om die ruimte in te nemen en daarin tot uitdrukking te komen.

 

Je houdt dus een lege ruimte vast. 

 

Misschien komt ook bij jou nu het beeld omhoog van een gedreven lolbroek die luchtgitaar speelt tijdens een saai schoolles. Die persoon houdt, middels de verbeelding, weliswaar lege ruimte vast en doet alsof die ruimte een gitaar representeert (door, middels beweging en gebaren, een vorm om die lege ruimte te ‘gieten’), maar het is geen ruimte die lonkt om vervolgens met eigengebaren in te nemen. Sterker nog, de verbeelding van de lolbroek en de performance vullen jouw en zijn ruimte. Mogelijk met een flinke glimlach, dat wel! 

- bovendien kwam het beeld net omhoog omdat ik de/onze ruimte er al schrijvend mee vulde. De ruimte die ik als blogger met jou als lezer deel werd o.a. gevuld door opgeroepen verbeelding. - 

‘To hold space for someone’ is een activiteit waarbij verbeelding mogelijk een rol speelt in de functie ‘voorstellingsvermogen’, maar die daarnaast leunt op het juist niet zozeer met innerlijk gegenereerde betekenis ‘vullen’ van een gedeelde ruimte.

Daar waar je middels voorstellingsvermogen wellicht bevraagt ‘hoe het voor de ander zou zijn’, en je jezelf in de reeds aangetrokken schoenen van de ander poogt te verplaatsen (met zijn tweeen in één toch wel krappe ruimte..), vraagt het “holding space” juist om zelfbewuste, zeker ook doorleefde, 'maar' lege, stille ontvankelijkheid. Althans, zo wordt de uitdrukking volgens mij ervaringsgericht betekenis gegeven. Je biedt de ander wel spiegelingen, bijvoorbeeld, maar varianten die niet voorgevormd zijn door innerlijke (ont-)roering. En hoewel interne conflicten zich kunnen voordoen, krijgen deze niet een eisende focus, die afleidt van de totstandkoming en ervaring van de ruimte die de ander behoeft, zoekt, wens, verlangt, na streeft, of afwijst.

Of, zoals Thich Nhat Hanh dit mooi en treffend verwoordt, je bent als een beekje waar watergolfjes de reflectie niet verstoren.

Deze vorm van “holding space” is eerder een solide, transparante aanwezigheid, dan een die gekenmerkt wordt door intense zelfexpressie. Intensiteit kan echter wel aanwezig zijn, bijvoorbeeld in de vorm van kalmte. 

Daarnaast kun je ruimte bieden door deze krachtig te herkennen. Ruimte op dimensies en in vormen die de ander wellicht nog niet waargenomen, gevoeld, gezien, bedacht, ontdekt, gewaardeerd heeft. Die op dat moment en in die interactie voor de ander misschien niet waarheid zijn, maar die jij wel voelt als potentie en vanuit vertrouwen kunt bieden. Niet omdat jij iets in handen hebt wat de ander niet heeft, maar doordat jij er binnen je bewustzijn op dat moment mee verbonden bent. Verruimend verbonden bent. 

Bijvoorbeeld door niet af te wijzen, door in stilte samen te zijn, door liefdevol vriendelijk te zijn en blijven waar de ander de neiging heeft zichzelf af te wijzen of anderen te zien als oorzaak van eigen worstelingen. Door als witregels tussen de uitgesproken zinnen te zijn, door middels vriendelijk zwijgen een opvangnet voor andermans angsten te zijn, door een glas water aan te bieden waar een grote wolk mistige emoties de helderheid van de visie van de ander ondermijnt. Invoelende glimlachen, frustratie loswekkende kalmte, perspectief verwisselende vragen.

‘To hold space for someone’ betekent ervaringsgericht en conceptualiserend dus het bieden van een stille, lege ruimte 'tussen de gevulde ruimtes' en het zachtmoedig begeleiden richting en in ruimtes die eerder niet als zodanig werden ervaren.

You hold back and thereby you put forth..

Dit ruimte bieden door deze zelfbewust en solide, transparant in te nemen doe je grappig en kenmerkend genoeg als eigen persoon (binnen een interactie). Je bent in deze sociale uitwisseling ook een krachtige persoonlijkheid. Niet specifiek in de sociaal bekende wijze als iemand die middels sterke meningen van zich laat horen, zich uitspreekt en vooraanstaat waar er actie nodig is, maar eerder iemand die in staat is (vrijwel letterlijk) om zichzelf als voelend, ervarend, ‘zijnd’ medemens aan te bieden als ruimte voor de ander om zichzelf in te (h)erkennen, uit te drukken.

Je doen en laten zeggen (vaak zonder geuite, wellicht wel intern opgemerkte woordenstroom, vaak met ervaren stroom der gevoelens) eigenlijk:

Kijk, deze ruimte is er allemaal wél. Zonder hierin bevestiging te hoeven, want je ervaart het tenslotte zelf al. Of, je voelt de wens tot bevestiging opkomen, en vindt dat op zich al een bevestiging, en okee. Met alle ruimte als emotioneel logisch gevolg.

Juist jouw fysieke, emotioneel, belichaamde, beewust begeesterde en met name subtiel verwelkomende, aandachtige aanwezigheid tegelijkertijd..biedt de ander - inclusief haar of zijn lichaam, geest, gevoelsleven, gedachtestromen, sensaties - veel zo niet volledige ruimte voor eigen expressie en het openlijk onderzoeken van de innerlijke ruimte. 

Ruimte wekt ruimte op. Het kan een Copernicaanse wending te weeg brengen!

Associaties daargelaten, je bent op zo'n doorleefd moment als een ‘medium’ voor de ander, door welke het zelfonderzoek van de ander hoorbaar resoneert, gereflecteerd wordt en ‘er mag zijn’. Zeker dit laatste is van belang: alleen al dát dit onderzoek en dus de inherente onzekerheid er ‘simpelweg’ mag zijn, is de veiligheid waarop vrijheid bloeit.

‘To hold space for someone’ betekent dat je zélf de mogelijkheid hebt, voelt en bent om die ruimte te zijn en daarmee te bieden. Dit is in die zin dus zowel een bewuste als een assertieve actie. Je bent wel degelijk heel aanwezig, niet zozeer middels directe en tot nadrukkelijk uiting gebrachte, zelf-bevestiging behoevende persoonlijke betekenisgeving.

Je bent er als medemenselijke ruimte; op al die manieren waarop je overeen komt met je gesprekspartner, je al dan niet in stilte of emotionele roering zijnde, onderzoekende medemens. Je bent er ‘al ervarende’, en die belichaamde, aandachtige ervaring is voor de ander voelbaar als heldere ruimte waarbinnen de eigen ervaring opnieuw ontdekt, ingeleefd, doorvoeld en vertrouwensvol (h)erkend kan worden. 

'Hee, dáár ga ik eens een tijdje wonen, logeren, rusten, spelen, zijn' - anders dan 'Hee, dáár parkeer ik mijn gevoelens eens even'.

Door zelf bewust en niet claimend eigenaar te zijn van je fysieke, emotionele, mentale, sociale, spirituele ruimte - van je lichaam tot je denkwereld, van je emotionele bewegingen tot aan je spirituele connectie met het Al- kan de ruimtebehoevende ander de ervaring van 'eigen-zijn in verbinding' waar gaan nemen en onderzoeken.

Door zelf niet zozeer hardop te gaan huilen als de ander in toenemende mate snikt, krijgt de ander de kans haar of zijn tranen veilig los te laten. Door (bijvoorbeeld) zelf in stilte de hand van de ander vast te pakken en zachtjes, subtiel doch betekenisvol in te knijpen, moedig je de ander aan haar of zijn zorgen hardop uit te spreken. Door zelf assertief, ‘maar’ bevragend na te gaan wat hij of zij nu nodig heeft, moedig je hem of haar aan uiting te geven aan eventuele onzekerheden en langzaamaan helderheid te vinden in de nu misschien nog verwarrende hoeveelheid waargenomen wensen, op basis van een mix aan nu nog ogenschijnlijk tegenstrijdige emoties. Door zelf geen planning aan te kaarten op een moment dat de ander geen gerichte structuur kan onderscheiden, bied je de ander de mogelijkheid een eigen startpunt te vinden, of zelfs slechts even een punt te zijn, niets meer en minder, in ’t moment aldaar en dan. Of: door een knuffel bied je de ander de eigen ruimte om in warmte en veiligheid te zijn. 

Zoals het tevens mooi verwoord staat in dit stuk:

 “To hold space means we are willing to walk alongside another person in whatever journey they’re on without judging them, making them feel inadequate, trying to fix them, or trying to impact the outcome. When we hold space for other people, we open our hearts, offer unconditional support, and let go of judgement and control.”

Belangrijk is hierbij, vermoed ik en heb ik ervaren, om je ‘eigen’ ruimte evenzo in te voelen. Als jij er voor de ander wilt zijn, dan vraagt dit van jou om ook “in jezelf te zijn”. Daarmee bedoel ik niet zozeer dat het van je vraagt om naar binnen gekeerd te zijn. Ik bedoel eerder dat je écht aanwezig bent ‘in’ jezelf, wat opmerkelijk genoeg vaak samen gaat met de ervaring juist volop verbonden te zijn met alles om je heen (dat is een mooie psychische natuurwet!).

Hoe ben je dan ‘in’ jezelf?

Dat is een goede vraag ;-)....1 waar ik in een volgend stuk graag nog eens dieper op in ga. 

Je zou in de wirwar aan mogelijkheden al een onderscheid kunnen maken tussen ‘dimensies van leven' : fysiek, emotioneel, mentaal,…. In die ruimtes ben en word je zelf ook en kun je jezelf als ervarend, voelend, denkend, bewegend, verbonden…..herkennen. Dan rijst de vraag: do you hold space for yourself (on these dimensions?).

Mindfulness is meer specifiek en concreet een werkzame strategie, techniek, praktijk en levenshouding om het 'in jezelf' én verbonden zijn op vele dimensies te ervaren, stimuleren en oefendend en onderzoekend te doen.

Ook heilzaam, werkzaam en ruimschoots gevarieerd: Gezond eten, regelmatig sporten, spontantiteit 'ondergaan', activiteiten te ontplooien waarbij 'je jezelf' verliest (denk bijvoorbeeld aan vrijwillige zorgtaken, wandelingen in een bos, schilderen, schrijven,..). Er zijn veel mogelijkheden te exploreren en aan te gaan: door ín de wereld te zijn, ook ín jezelf zijn (waarmee ook hier de benoemde psychische natuurwet geldt: streep weg wat niet meer van toepassing is..)!

In onderstaand artikel wordt er verder ingegaan op hoe je er voor de ander kunt zijn, door (zoals ik dit verwoord) ruimte in te nemen door deze te bieden/ruimte in te nemen om deze te geven.

Zo creeer je samen ruimte, en dit kan een diepe ervaring van verbondenheid te weeg brengen, zelfs zonder een woord te hebben uitgewisseld. Sociaal samenzijn is aldus bekeken ook een hoogst creatieve, sportieve, spirituele en emotionele uitdaging. Ja, zeker ook sportief: Aan alles wat er in je beweegt en om aandacht vraagt (het gehele ervaringsrepertoire), en dat wat er allemaal gaande kan zijn bij de ander, zoek je samen een fijn voelende, enerzijds synchroon lopende anderszijds wederkerige inspirerende ‘gedeelde tred’. Dat vraagt een goede conditie, op niveaus die zo op het eerste oog niks met stille ruimte te maken lijken te hebben. En misschien ook wel wat muzikaliteit, en een tolerantie van open einden.

http://upliftconnect.com/hold-space/

Verruimende groet, warme zwaai en blijmoedig veel goeds!

www.alotofcomplexity.com / lotte@alotofcomplexity.com

Gelukkig komt het niet goed

'Je kunt pas iets worden als je iemand bent', schreef cabaretier Vincent Bijlo onlangs. De in zijn jeugd uit een beroepskeuzetest gerolde baan als bierbrouwer is het dan ook nooit geworden, zijn passies en talenten lagen op het talige vlak. Hij verdient nu in zijn volwassen leven dan ook zijn brood als cabaretier.

Om te weten wat je wil, moet je weten wie je bent. En weten wie je bent, dat is een behoorlijk complexe vraag, die exponentieel meer werk vraagt om te beantwoorden naarmate je ontwikkelpotentieel groter is. Wanneer je 'alles' kan, wat wordt je dan? Het kan makkelijk lijken om te kiezen voor de weg van de minste weerstand: ent je acties en levenskeuzes op wat er in jouw omgeving gebruikelijk is en wat er van je verwacht wordt. Doen 'hoe het hoort'. Dan eindig je vast met een leuke partner en twee kinderen in een mooie doorzonwoning met een bijpassende auto voor de deur.

Ikzelf wordt al onrustig wanneer ik meelopen met de massa überhaupt overweeg, het heeft mij nooit gepast. (Al heb ik een vrouw, twee kinderen en een leuke woonplek, mijn auto is uit 2003.) Lange tijd werd mij, als odolescent en daarna, tegendraaadsheid verweten. In werkkringen of familie was ik 'daar heb je hem weer'. Ik heb ook verre van een regulier pad gevolgd in het leven, maar in mijn omgeving bestond altijd de impliciete hoop 'dat het wel goed zou komen'.

Nu weet ik inmiddels dat het gelukkig niet goed komt! Niet in de zin van dat je het ga 'doen zoals het hoort'. Dat je niet het pad loopt wat voor je bedacht wordt, maar weloverwogen je eigen pad kiest. Want voor wie moet het nu eigenlijk goed komen? Voor jezelf. En wat is 'goed' in deze? Dat wat jou past. Al lijkt het voor anderen niet goed te komen met je, wanneer je voor jezelf het gevoel hebt dat je doet wat bij jòuw waarden (eigenzinnig, maar niet anti-sociaal) past, dan komt het allemaal wel goed, lijkt mij! 

( Dit blog verscheen ook op http://www.brainswithoutborders.nl )

Relevante links naar blogs en artikelen over positieve desintegratie

Graag verzamel ik op dit digitale agoraplein weer enkele links naar recente, relevante, inzichtbiedende, boeiende, aanmoedigende en veelzijdige blogs en artikelen over de theorie van positieve desintegratie. Leuk dat je meeleest!

Positieve versus negatieve onaangepastheid

De grote lijn in ontwikkelen volgens positieve desintegratie is van primaire integratie naar jezelf: van extern gedreven naar intern gedreven. Het gedrag dat iemand gaat vertonen, komt steeds meer in overeenstemming met de eigen waarden. Een buitenstaander kan dit interpreteren als dat iemand dus steeds asocialer wordt. Dit is echter wat Dąbrowski verstond onder negatieve onaangepastheid. Criminaliteit en psychopathologische gedragingen zijn uitingsvormen hiervan. Mensen zetten zich af, ten koste van anderen.
Dąbrowski benadrukt de groei van het empathisch vermogen door positieve desintegratie. Iemand handelt steeds meer naar zijn eigen waardenhiërarchie, maar wordt daarbij ook steeds alterocentrischer.
Dat lijkt een paradox: steeds meer richting je zelf (positieve onaangepastheid) en toch steeds socialer. De crux zit hem in het besef, dat alles en iedereen op de planeet met elkaar verbonden is. Het egocentrisme uit zich in het “zelf beter willen worden, door andere naar beneden te duwen”. Wat een heel begrijpelijke beweging is: we zien het in het dierenrijk onder andere bij jonge vogels terug. Om te overleven, moet je zorgen dat je eten krijgt. Als daarbij een broertje of een zusje het niet overleeft, nou ja, jammer dan. Dat is onze biologische impuls: ons overlevingsinstinct.

Niet voor niets is persoonlijke ontwikkeling zo ontzettend heftig. Zoals Dąbrowski het omschrijft: de derde factor (die zorgt voor de ontwikkeling richting het persoonlijk  ideaal), moet de eerste en tweede set factoren “overwinnen”. Op een bepaald level in zijn ontwikkeling beseft iemand dat hij geen controle heeft over zijn leven of dat van iemand anders. Dingen gebeuren, en het enige dat je kunt doen is daar kansen in zien en jezelf toestaan te groeien. Op een punt komt het besef dat iedereen zijn eigen pad moet lopen, dat je een ander niet kunt helpen; alleen ondersteunen. Dat op jouw pad komt wat jij nodig hebt. Dit zorgt voor een bepaalde gelatenheid op het “levenspad”. Tegelijkertijd zorgt het voor compassie; voor anderen en voor zichzelf. Je kunt anderen niet controleren, helpen of redden: dat moeten ze zelf doen. Je kunt ze alleen liefdevolle vriendelijkheid tonen en hopen dat ze goed voor zichzelf zorgen, voor het mooie mens dat jij in ze ziet. En het dan loslaten, wetende dat ieder zijn eigen weg te lopen heeft.

Sensuele overexcitability en sensorische integratie

In de sensorische integratie wordt bekeken hoe mensen reageren op de zintuiglijke prikkels die zij ontvangen. Bij problemen in de sensorische integratie, zien we dat mensen te intens (overprikkeling) of juist te weinig (onderprikkeling) op zintuiglijke impulsen reageren. Nadat de prikkelverwerking in kaart gebracht is (bijvoorbeeld met een sensory profile, waarbij gekeken wordt of iemand over- of ondergevoelig voor bepaalde prikkels is), kan een sensorisch dieet voorgeschreven worden, om ervoor te zorgen dat iemand tijd krijgt om zijn prikkels te verwerken, zodat dit niet tot een overload aan prikkels leidt (en niet zelden de daaruit volgende gedragsproblemen).

Deze methode kijkt naar de zintuiglijke prikkelverwerking, die raakvlakken heeft met Dąbrowski’s sensuele overexcitability. Waar Dąbrowski op zintuiglijk gebied* kijkt naar de prikkels die men krijgt vanuit horen, zien, tast en smaak; kijkt sensorische integratie ook naar prikkels die men vanuit het evenwichtsorgaan ontvangt (vestibulair) ennaar lichaamsgewaarwording (proprioceptief). Proprioceptieve onderprikkeling kan een medische oorzaak hebben, zoals bij hypermobiliteit (soepel in gewrichten) en hypotonie (lage basis spierspanning); maar ook “aangeleerd” zijn, bijvoorbeeld als iemand dissocieert (“uit zijn lichaam treedt”, zoals onder andere bij een post traumatische stress stoornis voor kan komen). Vooral een proprioceptieve onderprikkeling kan ertoe leiden dat men de spanningsopbouw in zijn lijf niet voelt, waardoor hij niet in staat is de veelheid aan prikkels tijdig te stoppen en hierdoor in overload gaat. Om overload te voorkomen, worden in de sensorische integratie activiteiten aangeboden, waarin iemand tijd krijgt zijn prikkels te verwerken. Hierbij kan niet alleen gedacht worden aan rusten in een donkere kamer of meditatie (eliminatie van prikkels), maar ook aan schommelen (vestibulaire stimulans), stoeien (vestibulaire en tactiele stimulans), eten van scherpe smaken (gustatieve stimulans) of zelfs het inrollen in een mat, zoals bij inbakeren gedaan wordt (het geven van “diepe druk”) Door een ander zintuiglijk gebied te stimuleren, kunnen de prikkels die tot overload geleid hebben, verwerkt worden, omdat hierbij een ander gebied in de hersenen gestimuleerd wordt.

Een fysio-, cesar- of ergotherapeut met als specialisatie sensorische integratie kan je helpen om je prikkelverwerking in kaart te brengen en eventueel een sensorisch dieet op te stellen, maar je kunt ook zelf, eventueel met behulp een coach, je prikkelverwerking in kaart brengen en een plan opstellen om te voorkomen dat je in overprikkeling schiet.

* Dabrowski’s sensuele overexcitability is breder dan alleen zintuiglijke waarneming. Het behelst bijvoorbeeld ook genieten van aanraking.

 

Deze blog verscheen ook op www.brainswithoutborders.nl

Verbeeldende overprikkelbaarheid : waar fantasie en voorstellingsvermogen tot verbeeldingskracht samenvallen

Graag deel ik enkele teksten uit de bundel “Het drama van de afhankelijkheid” van Connie Palmen om een gelaagde ontwikkeling van ‘verbeeldende overprikkelbaarheid’ te illustreren. Een ontwikkeling waarbij intensiteit van verbeelding steeds meer samengaat met, verbonden wordt met een invoelend, inlevend, meelevend en bewustmakend voorstellingsvermogen, begrip van en voor jezelf en met name de ander en bewustwording over de betekenis en functie van verbeelding.

‘Kinderen hebben veel fantasie, maar weinig verbeeldingskracht. Met het grootste gemak geloven ze in sprekende wolven, zingende dwergen, reuzen, heksen, zeemeerminnen en buitenaardse wezens, maar zich voorstellen wat het voor hun vader en moeder is om ouders te zijn, kunnen ze niet. Fantasie is een manier om de werkelijkheid weg te houden, verbeeldingskracht om erin door te dringen en haar te begrijpen.

Ik zeg dit, omdat de jeugd me als een tekening voorkomt die je later in je leven inkleurt en dan de schoonheid en diepte verleent. Als je erin zit zie je haar niet en maak je haar eigenlijk niet mee. Je jeugd beleef je pas echt als die al lang en breed voorbij is. Het machteloze gevoel dat je alles gewoon vond wat achteraf gezien ongewoon en bijzonder was, is de pijn van de volwassenen. Het is de prijs die je betaalt voor het verlaten van wereld van de fantasie en het verwerven van dat zo veel zwaardere en machtigere ding dat we verbeeldingskracht noemen.

 

[…]

 

Het is de vertekende macht van de fantasie ervoor te zorgen dat je nergens versteld van staat en de wereld om je heen vertekend ziet. Verbeelden begint met de vraag hoe de werkelijkheid voor iemand anders is.

 

[…]

 

Ik heb het altijd onrechtvaardig en hartverscheurend gevonden pas achteraf te kunnen begrijpen hoe de werkelijkheid was voor mijn vader, moeder en grootouders. En ik weet dat het komt omdat je niet met de drogbeelden van de fantasie, maar alleen met verbeeldingskracht recht kunt doen aan anderen. Pas achteraf, wanneer je met dat schitterende en zware vermogen van de volwassene om je voor te kunnen stellen hoe het leven voor iemand anders is, terugkeert naar je jeugd, wordt de fantasie verdrongen en maakt plaats voor de deernis met alles wat er ooit om je heen gebeurde toen je het nog niet kon zien en begrijpen.

 

Fantasie is de bezwering van de angst voor het mogelijke, met onwaarschijnlijke beelden. Je, je kunt verdrinken in de rivier, verdwalen in het bos, door vreemden worden meegelokt, maar het zijn de angsten van je ouders, het is niet waar jij als kind bang voor bent. Als kind al ben je bang waarvoor je de rest van je leven bang zult zijn: dat je niet voldoende liefhebt, dat je de mensen van wie je het meeste houdt verdriet bezorgt en dat ze op een dag doodgaan. Maar net zoals je de pracht van de werkelijkheid niet kunt zien, weet je dat als kind niet van jezelf en doe je net alsof je gelooft in de hakenman op de bodem van de rivier.*”

 

(Essay: Pas Achteraf, blz. 160)

*voorbeeld uit het essay

Ik vermoed dat wat eerder fantasie was bij en voor kinderen gaandeweg deel gaat uitmaken, in een nieuwe vorm, van de verbeeldingskracht. Fantasie is dan een zekere kern van verbeeldingskracht, verbeeldingskracht in ontwikkeling.

Misschien zijn volwassenen (hoe ook te generaliseren..) niet zozeer "niet meer tot fantasie in staat" (zoveel kunst die daar niet van getuigt daargelaten) als wel in ontwikkeling in staat tot verbeelding en het zich voorstellen 'hoe het is voor..als..'. Fantasie die met ervaring verwordt tot sociaal-emotionele wijsheid, verbeelding die bijdraagt aan begrip, een voorstellingsvermogen dat stimuleert tot aan invoelend zijn. Daarnaast zijn er vast en zeker al veel jong-volwassen kinderen voor wie dit ook geldt, stel ik me zo voor. Ik herinner me nog dat ik als kleine(re) meid zoiets dacht als:

'Ja, maar hoe zou dat voor de pieten moeten zijn, elke donkere nacht op stap met een lading cadeaus, bijna niet slapen en langs alle huizen, muisstil?' 

Meerlagigheid : een klein doch sprekend voorbeeld m.b.t. "zwijgen"

 

In de theorie van positieve desintegratie schrijft Dabrowski over meerlagigheid (multilevelness). 

Meerlagigheid in de ontwikkeling is te begrijpen als een gradueel toenemende ervaring, herkenning, appreciatie en realisatie (in gedrag) van nieuwe, hogere waarden. De realisatie gebeurt middels het 'uit een vallen' (desintegreren) van eerdere structuren (de meer rigide georganiseerde, geintegreerde) die met realisatie van de 'lagere' waarden samenvielen, en het daaropvolgend mogelijk opbouwen van nieuwe structuren die meer complex zijn / meer complexiteit omvatten 'maar' tegelijkertijd en gaandeweg ook op meer essentiele wijze eenvoudig in uiting (opnieuw geintegreerd raken). Een ont-wikkeling van bewustzijn, subtiel, verfijnd en tegelijkertijd omvattend, synthetiserend. 

Neigingen die er waren, mogelijk meer rigide georganiseerd, veranderen in uiting richting meer '(sociaal-emotioneel, spiritueel) open', (praktisch, leidend, mentaal) fluide en verbindingsvolle gewoonten en omgangsvormen.

Van belang is bij meerlagigheid dat een en dezelfde neiging of motivatie meerlagig kan ontwikkelen: angst uit zich op verscheidende lagen anders, heeft op verscheidende lagen een andere betekenis. Of, een ander voorbeeld: glimlachen kent vele verscheidende varianten, en meerlagig bekeken kun je de uiting, functie en betekenis hiervan onderscheiden èn als meer of minder samenvallend met bepaalde waarden duiden.

Zo confliceert lachen om leed met de waarde empathie (met sociaal-emotioneel, cognitieve openheid), en zal iemand wiens empathie in ontwikkeling is innerlijke conflicten ervaren bij eigen neigingen te lachen om leed. Deze conflicten (potentiele positieve desintegratie) zijn stimulans tot verdere, meerlagige ontwikkeling, en het steeds bewuster worden en zijn van wat de persoon in de wereld wilt zetten, wie en hoe de persoon empathisch wil en kan zijn.

"Making Multilevelness the central concept in the approach to development means that we have to apply it to every phenomenon under scrutiny. It means we are using a new key, or paradigm, with which to approach human behavior and its development. It now becomes less meaningful to consider, for instance, aggression, inferiority, empathy, or sexual behavior as unitary phenomena, but it becomes more meaningful to examine different levels of these behaviors." 

Multilevelness of Emotional and Instinctive Functions, p.10. K. Dabrowski

Literatuur aandachtig lezen geeft de mogelijkheid deze meerlagigheid te herkennen, te onderzoeken en te spiegelen aan bewuste persoonlijke ervaring en 'real life' situaties. 

Een kort maar sprekend voorbeeld uit "Kom hier dat ik u Kus", een roman van Griet op de Beeck, geeft bijvoorbeeld een kleine indruk van meerlagigheid-in-ontwikkeling.

Het voorbeeld betreft de interactie tussen Mona, hoofdpersonage, en haar vader. Hun relatie is in de loop van de jaren verandert, wat in de roman op vele wijzen kenbaar wordt.

In onderstaande citaten wordt in een paar zinnen een meerlagige ontwikkeling van zwijgen (of, wellicht te begrijpen als "inhibitie") beschreven. Hoewel deze differentiatie uitgebreider zou kunnen (verschillende uitingen, functies en betekenissen van "zwijgen", zoals dit zich door de jaren heen kan ont-wikkelen), wordt met dit literaire voorbeeld naar mijn idee reeds een subtiele doch kenmerkende bewustzijnsgroei laten zien, een veranderende en meer verbindende sociaal-emotionele, communicatieve dynamiek:

"We zwijgen samen. Het zwijgen is anders dan vroeger, rijker, meer bewijs van niks wat hoeft dan schrik om iets verkeerd te zeggen."

blz. 347

 

 

De theorie van positieve desintegratie : een intellectuele herwaardering van emotioneel ondervonden waarheden

 

 

Toen ik dertien jaar oud was, schreef ik onderstaande zinnen in mijn dagboek – een schrijven dat ik was begonnen omdat ik ervoer sinds enige tijd “mezelf niet meer te zijn”. De vervreemding hield, onder andere, verband met de gevoelsmatig stormachtige, overprikkelbare fase van de puberteit en de conflicten tussen mijn ouders, het uiteenvallen van ons gezin tijdens en na de scheiding. De puberteit en de scheiding zijn twee veranderingen die ik, te meer tegelijkertijd, als heel intens en complex ervoer. Een groeiend zelfbewustzijn ging via een ingewikkeld en mistig wordend sociaal bewustzijn samen met gevoelens van vervreemding en verwarring. En ondertussen, ondertussen schreef ik wat mij van binnen bezighield, in een poging grip via begrip te realiseren:

“Liefde is, vind ik, het sterkste gevoel wat er is. Voor wat dan ook, liefde is sterk en niet zwak. Zwakke liefde bestaat niet.”

Ik betwijfel of ik de omvang van wat liefde betreft destijds, toen ik dertien was, bevatte. Niet alleen vanwege mijn leeftijd, ook vanwege de gezinssituatie. Een genuanceerd begrip van “sterk” of van “zwak” zal ik (met enige ironie) nog niet helemaal doorvoeld, doorleefd en in de diepte en hoogte begrepen hebben. Ook NU betwijfel ik of ik de magnitude of de ‘scope’ van wat ik toen schreef kan, weet te omarmen. 

Tenslotte: Als liefde zo sterk is, omarmt het moeiteloos alles wat het (be)treft.

Ik twijfel echter niet aan de Waarheid en Schoonheid van wat ik op mijn dertiende innerlijk waarnam en opschreef als zijnde een onwrikbare Realiteit. En ik twijfel er ook niet aan dat dit voor mij samenhangt met het zo abrupt toenemen van twijfels, in diezelfde periode. Misschien begreep ik het destijds precies zoveel als toen mogelijk was. Daar twijfel ik 'eigenlijk' niet aan, nu ook niet.

Jaren later, ook nu, zou ik liefde geregeld verwoorden als “bewust zijn”. Vanuit bewustzijn of aandachtige aanwezigheid ervoer en ervaar ik namelijk de mogelijkheid liefde te voelen en via mijn handelen en relaties te leven.

Gaandeweg, tussen mijn dertiende (maar wellicht al vroeger, iets onbewuster?) en het vaak ingewikkelde, voortgaande daarna, voelde ik een sterk imperatief (de liefde?) om zo bewust mogelijk te Zijn. Dit was (en soms is) een beweging die niet zelden zo intens was dat ik het als eisende ontevredenheid of als doordringende leegte ervoer.

Zo sterk kan de ervaring van zwak zijn.

Desalniettemin en inclusief deze manifestaties van ervaring en betekenisgeving, bleef ik op meer of minder helder (bewust) niveau vertrouwen op dat wat ik op mijn dertiende als meest waarachtig en wakker (waar) ervoer. In mijn wens tot bewustzijn van mezelf had ik echter een evenredig grote wens van bewustzijn van mijn omgeving. Misschien was het in het sociaal gedeelde onbewustzijn (zo voelbaar tijdens de scheiding en zo overstromend in intensiteit tijdens de puberteit) dat voor mij het verlangen tot en tegelijkertijd de gewaardeerde, bewuste ervaring van bewustzijn opleefde, gewaar werd. In ieder geval op papier. De conflicten om mij heen verinnerlijkte ik - het gemis aan liefdevol samenzijn in ons gezin (en daarbuiten) werd een heel individuele (niet deelbare), maar waarschijnlijk universeel herkenbare ervaring van zelf-afwijzing.

Zo rond mijn 25e ontmoette ik een ondertussen goede vriend. Hij wees mij onder andere op de theorie van positieve desintegratie en mijn wens tot bewustzijn van mezelf (en, toen in afnemende mate, anderen) vond daarin een gelijkgestemde. In ieder geval op papier.

Onder het verlangen naar ont-spannen bewustzijn (hoe tegenstrijdigheid te overstijgen?) ontstond een nieuwe dimensie: ik waardeerde in de TPD het verband tussen innerlijke conflicten, angsten, depressie…en bewustwording. Dit intellectueel uitgelegde verband resoneerde met mijn intuitieve, ervaringsgebaseerde weten. Het weten dat ik op mijn dertiende slechts en toch dapper aan papier toevertrouwde. Een papier waarvan ik ergens hoopte dat mijn dierbare omgeving het zou lezen ‘en mij dan echt zou begrijpen, al was het maar een iemand’. Steeds bewuster wordend, werd dit verlangen naar begrip van anderen ook zelfonderzoek en het specifieke begrijpen een weten dat onzekerheid includeerde. 

Ik ging in navolging van mijn ontmoeting met Dabrowski een gedreven zelfonderzoek aan. Zelfonderzoek waar ik al jaren mee bezig was, maar wat tegen de grenzen van zelfreflectie zonder zuivere spiegeling aanliep, en wat niet zelden een reflectie was van een negatieve zijnsovertuiging.

Ditmaal, echter en anders dan tot dan toe, ging dit onderzoek gepaard met diepgaande sociale herkenning, en de ervaring van een erkende, maatschappelijke “plek”.

Ik werd coach van begaafd-gevoelige volwassenen, gaf (en geef) vele workshops, lezingen en colleges over de TPD. De TPD leefde in veel van wat ik deed, en ik leefde bewuster mijn verlangen naar bewustzijn als kosmische grap. Het is al goed, ervoer ik. 

Een belangrijke basis voor en stimulans tot mijn werk als coach voor begaafd-gevoelige volwassenen ligt, denk en ervaar ik, in het verband tussen innerlijke conflicten (moeilijke, emotionele ervaringen) en bewustzijnsgroei, zoals uitgebreid getheoretiseerd en gemodelleerd in de theorie van positieve desintegratie. Via de TPD kon ik intellectueel nader duiden wat ik op mijn dertiende beschrijf in mijn dagboek (varierend van thema’s als “communicatie” tot aan “gevoelens” en “acceptatie”). Dit intellectueel duiden bracht en brengt me nader begrip van mezelf als intens denkend, duidend en bevragend persoon, maar evengoed brengt het mij bewustzijn van de onvermijdelijke en "scheppende" verbinding van mijn innerlijke leefomgeving tot alles wat om me heen is, lijkt. 

Zoals boven aangestipt: bewustzijn van onzekerheid. Onvermijdelijk kwam ik mijn dertien-jarige ik weer tegen. Onzekerheid is overal.

Al dit bedenkend en onderzoekend bevragen bracht me dus ook (soms onvrijwillig en onstuimig) nader tot mijn emoties en gevoelens. De dierbare relaties die ik in de afgelopen jaren heb ervaren en de herwaardering van bestaande relaties spelen bij deze transformatie een minstens even grote rol.

Gevoelens beschreef ik op mijn dertiende reeds als ‘het diepste in je hart’, zelfs als ‘de geest’. Via mijn onderzoek en studie naar de TPD dacht ik mezelf als het ware terug naar die expliciete waardering van het hart en de ook gevoelsvolle geest, wat vervolgens het herkennen van en het vertrouwen in mijn lichamelijk-zijn bemoedigde, iets wat na mijn dertiende zo vaak niet aandachtig aanwezig was, zo zichtbaar middels verslavingen en eetstoornissen. 

Daarbij was er gaandeweg tevens het tot inzicht ont-wikkelde uitzicht dat ik (eerst juist en toen ook) in verhouding tot ontwrichtende emotionele ervaringen steeds dieper de relatie ervoer tussen innerlijk (fysiek, emotioneel, sociaal, mentaal..) verzet tegen mijn lijden en de afwezigheid van liefde in mijn voelen, handelen en denken. De afwezigheid van bewustzijn, wat zich in vele jaren uitdrukte als zelfafwijzing, geen goede zelfzorg en abrupte afwijzing van anderen, is een geest druk in strijd met alles wat zich naar 'zijn' verlangens ongewenst aandient.

Onder andere via de studie naar de TPD onderzocht ik oosterse filosofie, dook ik in velerlei psychologische stromingen, kon ik de rijkheid van cultuur en kunst die ik tijdens mijn studies mocht exploreren verbinden met persoonlijke ervaring en professionele bezigheden, ontdek(te) ik wederom en toch ook weer op een nieuwe wijze de kleine en Grote waarheid van de natuur, ...zodoende uitmondend en voortgaand in een uitdijende acceptatie van al wat leven, althans voor mij en telkens in het nu, op ervaringsniveau is.

Dabrowski’s visie bood mij een intellectueel spiegelende en verdiepende weg terug naar mijn dertiende jaar, waarmee ik met terugwerkende, langzaamaan zelfversterkende kracht de verbinding met mijn omgeving als vol, als liefdevol, ervoer en ervaar.

Een onderzoek dat het vertrouwen dat (dus ook!) uit mijn 13-jarige ik spreekt, intensiveerde en integreerde in mijn bewuste, alledaagse leven. Tot aan onbewust bekwaam onzeker-zijn.

Elders in mijn dagboek schrijf ik tevens:

“Het ultieme doel van leven is doodgaan, denk ik. Of misschien wel leven na de dood, dat weet ik niet.”

Dit stukje heb ik meermaals teruggelezen. Het heeft mij gefascineerd, ik ben ervan geschrokken, ik heb het willen afwijzen, en ik herinner me dat ik, toen ik het schreef, dacht iets waarachtigs te schrijven waar ik de realiteit niet van kon ervaren. Ik schrijf het gewoon op en dan zie ik later wel, zoiets moet ik gedacht hebben. 

De angst voor wat ik opschreef heeft me best een tijd bezig gehouden. Ondertussen zie ik er ontpoppende wijsheid in. En van daaruit is de angst invoelbaar, voorstelbaar, begrijpelijk, maar geen raadgever. 

Dus ook dit, "zelfs" deze absoluut aanvoelende waarheid voor mij toen en nu - de dood als ultiem doel (hoe je dit ook interpreteren kan, ik doe het "levendig" en leven-bevestigend) -  omarm ik met 'openslaande schouders’,  schouders die zelf steunen op openslaande schouders van zoveel en van zovelen voor en na mij.

Dat de liefde als 'het belangrijkste' en de dood als doel van leven samenkwamen in mijn schrijven doet me vermoeden dat wat er destijds ook speelde, ik mezelf wel degelijk was te midden van mijn bewuste ervaring ‘mezelf niet te zijn’. De onvermijdelijkheid van verandering en de inherente onzekerheid werden me weliswaar pijnlijk duidelijk, ook dit is deel van alles wat ik en wat leven is (zou ik nu in mijn dagboek schrijven ;-)).

Nu ook wens ik bewustzijn. Al is wensen nu inherent aan bewustzijn en gaat het er niet eisend aan vooraf. Meestal - in essentie is er ironisch geen strikt 'voorafgaan aan' af te leiden.

Ik wens ook bewustzijn van mijn omgeving en ik ben dankbaar als dat er naar mijn ervaring (!) is. Ik ben dankbaar dat ik zonder 'omgeving' (intern of extern, voor zover strikt te onderscheiden) niet bewust(er) zou kunnen zijn.     

Wat mooi dat ik mag meemaken dat de theorie van positieve desintegratie hierbij een persoonlijke en sociale gids is die zijn weerga voor mij niet zomaar kent!

 

 

Stop, look and listen

Ik sprak onlangs een cliënt met (onder andere) een enorm sterke emotionele overexcitability. Bij vrijwel alles wat haar overkwam verdronk ze bijkans in de plethora aan emoties en emotionele associaties die de betreffende situatie opleverde.

Haar situatie deed me denken aan wat Dabrowski over Emotionele Everxictability schreef: OE manifesteert zich onder meer door inhibitie (timide en verlegen zijn), extase (enthousiasme), sterk affectief geheugen, zorgen over de dood, angsten, depressie, gevoelens van eenzaamheid, behoefte aan veiligheid, exclusieve relaties, moeite met aanpassen in een nieuwe omgeving, etc.*

Allemaal gevoelens die de meeste mensen met een groot ontwikkelpotentieel en sterke OE kennen, en die behoorlijk invasief kunnen zijn. De vraag van mijn client was: hoe voorkom is dat mijn emoties in het moment met mij weg lopen? Ze maakte zich bijvoorbeeld zorgen over het feit of ze wel voldoende professioneel over kwam bij haar collega's en voelde zich vaak als (sic) 'emotionele muts' weggezet.

Waar niet zozeer de emoties inhoudelijk maar vooral de overweldiging die ze veroorzaken mensen hindert in hun functioneren komt bij mij de slogan van een oude Engelse verkeerscampagne bovendrijven: Stop, Look and Listen – bedoeld om onvoorzichtig oversteken van bijvoorbeeld spoorlijnen tegen te gaan.

In emotionele situaties is dat misschien nog wel het beste eerste advies. Voordat je emoties met je op de loop gaan: stop. Kijk naar jezelf, wat is het dat je dwars zit? En luister: luister naar je emoties, maar ook naar de verstandelijke evaluatie van die emoties. Bij welke reactie heb JIJ belang?

Deze eenvoudige, op het oog misschien zelfs simplistische, manier van denken helpt haar nu dagelijks. En niet alleen haar, ook als coach en in mìjn priveleven pas ik deze methode dagelijks toe. Vaak zijn de eenvoudigste oplossingen de meest werkbare tenslotte!

* Ontleend aan: Multilevelness of emotional and instinctive functions, blz 73, uitgave van de Katholieke Universiteit van Lublin, Polen, 1996. 

(Deze blog verscheen ook op BrainsWithoutBorders.nl )

Een brug tussen theorie en persoonlijke ervaringen : kennismaken met de TPD

De kennismaking met TPD was als thuiskomen. Als in een tango van Astor Piazzolla. Of liever het was als na een lange tocht door een onherbergzaam landschap eindelijk een stafkaart te zien krijgen en beseffen van hoever je komt en waar je zoal naartoe kan. De (lijdens)weg kreeg zin in het licht van het noodzakelijke traject om de volgende droge plekken te bereiken en boven de nevel uit te stijgen. Ik zag ‘het leven’ niet langer als een pijnlijke, vaak vernederende hinderlaag. 

Een bijna mystiek moment. 

 

                                                                                    Chris Van Camp

 

 

Mij bekende fenomenen

waar Dabrowski mij begrippen voor aanreikte.

 

DESINTEGRATIE

 

Desintegratie is een spiegelbegrip voor ‘het gevoel’ uiteen te vallen, geparalyseerd te zijn. Niet eens down maar eerder verloren. Hét kwijt: de controle, dat wat je gisteren nog typeerde. Ik hoorde me in een vruchteloze poging om mijn toestand aan anderen te beschrijven vaak naar de tafel-vergelijking grijpen, de ‘demontage’. Stel dat je tafelblad op 4 poten rust, een sociale poot, een werkgerelateerde poot, een financiële poot (soms betalen klanten niet) en een emotionele liefdespoot… je kan er één weghalen, twee, drie maar als de laatste neergaat ben je geen tafel meer maar een plank. Gereduceerd tot ongeordende onderdelen. Ik was er niet altijd achter wat de demontage triggerde. Ik probeerde vaak alle elementen in mijn leven schematisch voor te stellen als een soort manke inventaris van gebeurtenissen, stadia, emoties en omgevingen. Zo kon ik de ‘deconstructie’ van mijn leven beter vaststellen, me er van vergewissen dat ik het me niet inbeeldde. “Mijn hoofd lijkt nog het meest op een bouwvallig ministerie, de liften doen het niet, de archiefkasten zijn overhoop gehaald, er zijn hopen werk om het terug op orde te krijgen” (Borderline play).... Demontage, deconstructie… ik zat er vlakbij.

 

MEERLAGIGHEID

 

De meerlagigheid manifesteerde zich als het gevoel mijn eigen ideale vaderfiguur/mentor in mezelf ontwikkeld te hebben. De figuur die - wanneer ik na daden die niet strookten met mijn waarden - me in mezelf opwachtte en mild vaderlijk mijn verwilderde, verhakkelde zelf verzorgde en vol mededogen en humor lachte om zoveel stommigheid. Mijn oude god. Ook mijn schrijvende ik was altijd al mijn betere, mannelijke ik. De momenten dat ik er mee samenviel, waren momenten van rust en wijsheid. De meerlagigheid strookt met de gevoelens een tribunezitter met zicht op mijn eigen leven te zijn. De reflex jezelf - in perioden dat je niet aan je eigen waarden voldoet - te verbergen voor die innerlijke, superieure toezichter, vertaalde zich vaak naar angsten. “De inner gods sluiten hun kristallen ogen tot de dans met het kwaad stilvalt en de storm van hormonen en vleesgeworden ambitie is gaan liggen.”(dagboek). Dit ‘in touch zijn met mijn ideale ik’ projecteerde ik vaak als soort geloof in wat ik ‘het Al’ noemde en mij ondanks mijn aversie van geïnstitutionaliseerde godsdiensten iemand met een hang naar de mystieke kant van religie maakte. Ook in de symboliek van de alchemie vond ik een formulering van het wordingsproces dat ik vermoedde, van de meerlagigheid en het perspectief van het na te streven ‘zijn’. Het gevaarlijke, heimelijke proces van het lood in goud veranderen. Een thema dat mij ook overmatig aansprak was het gegeven van ‘de Graal’. Een andere drager voor het groeidoel. De queeste, de tocht waren altijd al inherent aan het leven. De lange weg tot jezelf.    

 

THIRD FACTOR

 

Wat Dabrowski ‘the second factor’ de omgeving noemt was wellicht de grootste trigger om mijn queeste te starten. Ik moest mijn familie overleven, alsnog geaborteerd op mijn 16de, verstoten uit de comfort zone. Er was geen weg terug. Stamina, zo noemde ik de kracht graag die mij een overlever maakte. Een survivor (First Factor?) van mijn eigen rusteloosheid die pas getemperd werd door het moederschap. Niets of niemand mocht/kon mij tegenhouden. Ik gebruikte vaak de circus-vergelijking, trekken tent opslaan, inpakken en weer verdwijnen bij nacht. ‘Iets’ dat mij dreef, ‘iets’ wat ik sterker had dan anderen en als ‘wil’ werd betitteld maar algauw een negatieve, te obsessieve connotatie kreeg. Die wil ging in alle richtingen en bereikte soms ongewenste doelen. De externe perceptie van dit sterke doorzettingsvermogen verbeterde naarmate ik deze kracht meer aanwendde om voor andere dingen te realiseren. Ik geloofde graag in de unieke challenge die we meekrijgen. Terwijl mijn eenzaamheid en gebrek aan achterban en duidelijke identiteit qua herkomst mij parten speelden, besefte ik ook dat dit mij een enorme voorsprong gaf. Ik moest me niet moeizaam onthechten, had geen loyauteit probleem wanneer ik trouw was aan mezelf ipv aan het beeld dat mijn inner circle van mij had. Ik heb geen tijd verloren aan valse geborgenheid. Die wil, die zoektocht is er nog steeds, heftig maar minder bedreigend.

 

OVERPRIKKELBAARHEDEN

 

Overexitabilities, de overprikkelbaarheden waren als kind overweldigend. Alles -of liever mijn reacties op alles - werden als té ervaren, door mijn moeder, mijn omgeving en mezelf. Té was problematisch. Mijn moeder schetste de intensiteit als volgt: “mijn koperkleurig haar moest vast een geleider zijn waardoor telkens een elektrische lading binnenkwam. (Pijnlijke scherts). Zelf omschreef ik later mijn gevoeligheid als rauw, gevild door een zoutmijn wandelen. Zelfs liefde en schoonheid waren intens pijnlijk. Ik leefde altijd al in een wanverhouding met mijn huid, te licht , te transparant, te snel geïrriteerd… te naakt. Een laag te weinig. Ik heb deze gevoeligheid té lang als een negatieve eigenschap moeten ervaren. ik wist niet wat ik ermee moest, ze veroorzaakte alleen emotioneel ongemak. Ik besloot me voor prikkels te behoeden in bepaalde perioden. Onterecht verguisde ik emoties als ondergeschikt aan de rede. Ik legitimeerde dit door Oosterse filosofie niet helemaal te verwerpen. Het kluizenaarschap waarin de mystiek zo goed gedijde verheerlijkte ik. Toch documenteerde ik mijn emoties onder bepaalde omstandigheden uitvoerig in mijn dagboeken. Bij zelfs zeer vroege herinneringen hoorde telkens ook een zeer levendig ‘staal’ van de destijds gevoelde emotie. Ik heb heel lang in onmin met, in vertwijfeling over de functie van zowel emoties als seksualiteit geleefd. Dabrowski leerde mij nu net die twee dingen die zo ‘des mensen’ zijn, te accepteren door ze te duiden als katalysator, als drive tot verandering. Ik hoef ze niet te bevechten of te zien als aberraties van mijn lagere zelf. Note: ik heb het moeilijk met het containerbegrip HSP dat ertoe leidt dat velen die ik ervaar als emotionele pletwalse zich beroepen op deze hooggevoeligheid en ontzien willen worden. Het recht om ontzien te worden, wat met het recht jezelf bloot te stellen en te transformeren?

 

POSITIEVE DESINTEGRATIE

 

Doorheen de vele crisissen - lees momenten van totale desintegratie - die ik meemaakte (16 - 22 - 27 - 31 - 39 - 42 - 45…) frappeerde en frustreerde het me telkens enorm dat wanneer ik uitgeput en radeloos op de bodem van het zwart gat quasi emotieloos zei dat ik niet meer wist hoe het verder moest, dat ik geen steek voor mijn ogen zag en dus ‘niet meer kon’, men mij gewoonweg aanspoorde me ‘te herpakken’. Alsof men er vertrouwen in had dat ik dat ook kon. De uitgestoken hand was er niet, noch de hulpverlening. Was dit niet het punt waarop anderen via de spoedafdeling  in de psychiatrie belandden? Soms ‘zag’ ik mezelf huilbuien, hysterische uitvallen, hyperstress uitvergroten omdat het me beangstigde en ik iemand standby wou. Noch ik, noch anderen hadden echter het gevoel dat het mis zou gaan. Er was telkens dat moment waarop het leek dat het universum ‘cut’ riep, ik het puin van mijn kleren klopte, adem haalde en met hernieuwde moed verder ging. Daarop volgde telkens een positieve periode - ik was er door - alles ging beter, ik had vooral meer vrede met mezelf. Het begrip positieve desintegratie - voorheen een contradictio in terminis -  was voor mij een sluitstuk van de puzzel.

 

DABROWSKI BIEDT VOOR MIJ EEN SLUITEND KADER: DE AHA-ERLEBNIS

Het unieke aan Dabrowski binnen de verschillende theorieën en strekkingen die een pad naar verlichting aanwijzen en een veelal spiritueel evolutief proces voorstaan, is dat hij ‘de mens niet afvallig is’. Hij zet onze kleinmenselijkheid niet neer als een erfzonde, maar als een soort moederkoek waarin we de juiste voeding vinden om onze groei uit te putten, een orgaan dat we opvreten.  Mijn mens-zijn mogen aanvaarden en de negatieve krachten en conflicten mogen omarmen als noodzakelijk kwaad (dus goed) heeft mij verzoend met mijn parcours.

*Deze tekst heeft Chris van Camp geschreven als deelnemer aan de specialisatiemodule Dabrowski/Positieve Desintegratie. Een onderdeel van de module was een reflectie-oefening op de meerwaarde van Dabrowski's visie op begrip van en voor persoonlijke ontwikkeling. Chris van Camp schreef o.a. bovenstaande reflecties, en op navraag vond ze het goed dat deze via deze website gedeeld werden.

Chris van Camp werkt als schrijfster, in vele vormen en contexten (van journaliste tot theater), intens gedreven en bevragend. Waar in deze tekst naar (BVBA) Borderline wordt verwezen, refereert dit naar 1 van de theaterstukken die Chris heeft geschreven. 

 

Pagina's